De succesvolle tournees Spiegel im Spiegel en Petite messe solennelle van Amsterdam Sinfonietta en het Nederlands Kamerkoor krijgen deze maand een vervolg met een aangrijpend, maar ook troostrijk programma: Requiem. Onder leiding van artistiek leider Candida Thompson presenteren de ensembles drie uitzonderlijke requiems van Bach, Sjostakovitsj en Fauré. Het Nederlands Kamerkoor zingt daarnaast ook nog een betoverende meditatie van Nystedt en Pärts Da pacem Domine, een ingetogen eerbetoon aan de slachtoffers van de aanslagen in Madrid in 2004.
Bachs Chaconne met acht zangers
Johann Sebastian Bachs Chaconne is een ongekend meesterwerk. Het is het laatste deel van de Tweede partita in d klein, BWV 1004, die op haar beurt onderdeel is van Bachs indrukwekkende verzameling van drie sonates en drie partita’s, BWV 1001-1006 voor viool solo. Bach schreef deze solostukken waarschijnlijk rond 1720, toen hij werkzaam was aan het hof van prins Leopold van Köthen. Helaas is de opdrachtgever niet bekend, noch de naam van de violist die dit werk in première heeft gebracht.
Het fundament van de Chaconne bestaat uit een relatief simpel motief van vier dalende noten, in de eerste maten verstopt in de bastonen van de indrukwekkende akkoorden. Dit motief vormt de basis voor maar liefst 64 variaties, waarin Bach alle technische mogelijkheden van de viool benut. Violiste Candida Thompson en acht zangers presenteren een bijzondere versie van de Chaconne, gebaseerd op een onderzoek van Helga Thoene. Deze Duitse musicologe vond in Bach-archieven aanleidingen om aan te nemen dat de componist de Chaconne voor zijn overleden eerste vrouw Maria Barbara had geschreven. Thoene beargumenteert dat Bachs partituur vol zit met getallensymboliek en koraalmelodieën die haar theorie ondersteunen. Zij voegde deze melodieën met tekst en al toe aan de toch al zo complexe vioolpartituur. Het verbluffende arrangement van Thoene klinkt nu in een herziene versie van de Nederlandse componiste Renske Vrolijk. Zij heeft opnieuw nagedacht over de stemvoering en maakte van Thoenes driestemmige een vierstemmige zangpartij, waardoor het arrangement nóg rijker en overtuigender klinkt.
Meditaties van Nystedt en Pärt
Bach was een belangrijke inspiratiebron voor de Noorse componist en koordirigent Knut Nystedt. Hij baseerde zijn Immortal Bach op twee openingsregels van Bachs Komm, süsser Tod, BWV 478. De anonieme tekst verwelkomt de dood als een opening naar rust en vrede. Nystedt speelt met de partituur van Bach: hij splitst zijn vierstemmige a cappella-bewerking op in vijf groepen. Ze zingen dezelfde noten en woorden, maar in verschillende tempi. De harmonieën van Bach maken langzaam plaats voor mysterieuze klanken die de luisteraar meevoeren naar een andere wereld.
Het Nederlands Kamerkoor zingt ook nog een kort koorwerk van de Estse componist Arvo Pärt dat goed past bij het requiemthema. Op verzoek van de Spaanse gambist en dirigent Jordi Savall schreef Pärt zijn Da pacem Domine twee dagen na de terroristische aanslagen in Madrid in 2004, ter nagedachtenis aan de slachtoffers. Da pacem Domine roept bovendien de zinsnede ‘dona nobis pacem’ uit het Agnus Dei van de dodenmis in herinnering.
Hoewel het muzikale idioom van Nystedt en Pärt heel verschillend is, hebben de twee koorwerken wel een vergelijkbaar effect op de luisteraar: het zijn betoverende meditaties.
Autobiografisch portret van Sjostakovitsj
Hoewel het aangrijpende Achtste strijkkwartet van Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) officieel werd opgedragen aan ‘de slachtoffers van fascisme en oorlog’, blijkt uit latere getuigenissen dat de Russische componist deze formulering vooral gebruikte om zijn persoonlijke worsteling te verhullen. Tijdens zijn verblijf in de DDR in 1960, om filmmuziek te voltooien in het door oorlog verwoeste Dresden, verkeerde hij in een diepe depressie. De dwang om toe te treden tot de Communistische Partij voelde voor hem als een morele ondergang. Hij dacht zelfs aan zelfdoding en vertelde zijn omgeving dat zijn kwartet ‘ter nagedachtenis aan hemzelf’ was. Muzikale citaten en thema’s uit eerdere werken onderstrepen het sterk autobiografische karakter. De in 2010 overleden dirigent Rudolf Barshai maakte van het Achtste strijkkwartet een beroemd geworden (en door de componist geautoriseerde) versie voor strijkorkest. Het contrast tussen de gewelddadige tuttipassages en de verontrustende fluisterzachte solo’s klinkt in de Kammersinfonie zo mogelijk nog indringender dan in het origineel.
Fauré’s troostrijke Requiem
Het programma eindigt met het geliefde en ongebruikelijke Requiem van de Franse componist Gabriel Fauré (1845-1924): een dodenmis met teksten uit de katholieke eredienst voor koor, orkest en solisten. Fauré’s muziek is ingetogen, troostrijk en sereen en vooral ook minder dreigend dan de meeste requiems. Dat komt onder andere omdat het Dies irae ontbreekt. Deze tekst over de Dag des Oordeels, die eigenlijk na het Kyrie hoort te klinken, is zeer onheilspellend en krijgt bij de meeste componisten een dramatische toonzetting. Denk bijvoorbeeld aan de requiems van Wolfgang Amadeus Mozart en Giuseppe Verdi. Fauré heeft in zijn Requiem alleen de laatste frase van het Dies irae behouden: het Pie Jesu, met een prachtige sopraansolo waarin maar liefst tien keer het woord ‘requiem’ (‘rust’) klinkt. In de woorden van de componist zelf: ‘Mijn requiem drukt niet zo zeer de angst voor de dood uit, als wel de vreedzaamheid van de eeuwige rust. Want zo zie ik de dood: als een gelukkige overgave, als een streven naar iets beters en niet als een vreugdeloze overgang naar het onheilspellende onbekende.’
De eerste versie van Fauré’s Requiem (1887-88) was voor koor, sopraan en een klein orkest zonder hout- en koperblazers en zonder violen, maar wel met één prachtige vioolsolo in het Sanctus. Deze eerste versie bestond uit vijf delen: Introïtus et Kyrie – Sanctus – Pie Jesu – Agnus Dei – In paradisum. In 1893 voegde de componist negen koperblazers toe aan het orkest en voegde hij twee extra delen met een baritonsolist toe: Offertorium en Libera me. In 1900 verscheen er nog een derde versie voor koor, sopraan, bariton en een volledig symfonieorkest (dus ook met twee grote vioolgroepen en flink wat houtblazers). Tot ver in de twintigste eeuw was deze laatste versie het populairst, terwijl het niet eens duidelijk is of Fauré zelf een bijdrage heeft geleverd aan deze massale orkestbezetting.
In opdracht van Amsterdam Sinfonietta en het Nederlands Kamerkoor maakte Wijnand van Klaveren een nieuwe orkestratie die teruggaat op de eerste twee versies van Fauré’s dodenmis, waarbij ook de violen een rol krijgen. Aan het strijkorkest worden twee hoorns toegevoegd en in plaats van een orgel klinkt een Frans harmonium. Alle zeven delen worden gespeeld, maar in een vrij kleine orkestratie om zo de intieme en vredige sfeer van Fauré’s eerste versie te behouden.
Noortje Zanen